Sama is een van de belangrijkste soefi-onderwijsprincipes die de soefi's in een trance-achtige toestand deden.

 Rumi was een liefhebber van Sama, maar na het ontmoeten van Shams werd hij meer serieus en gefocust daarop. Na bezoek van Shams besteedde Rumi zijn tijd aan soberheid en  Sama.

Volgens Rumi, tijdens Sama wordt de soefi bevrijd van wereldse afhankelijkheden en menselijke bezigheden, en begint hij te dansen. Volgens hem was Sama een spirituele passie, die niet beperkt was met reguliere grenzen van een gewone soefiesche ceremonie in de tijd. In deze geestelijke ervaring werden metgezellen door poëzie, muziek, enthousiasme en sensatie bewusteloos.

 Ze draaiden urenlang onbewust met elkaar of tegenover elkaar. Ze dansten, schreeuwden en sprongen. Met zoveel opwinding leidden ze zich een tijdje leeg.

Rumi zag de Sama als een soort oefening van geestelijke bevrijdenis en ontvluchting. Sama helpt de ziel om op te stijgen tot hoogste heilige niveaus.

Volgens Rumi, is Sama een liefdevolle gebed, een  gebed vrij van speciale ordes, een innerlijke cultivatie en niet alleen dramatische bewegingen welke hij innerlijk gebed noemde.